13 oktober 2017

Donkerlicht • Hoofdstuk 1

Esmée

“Hou nu eens verdomme je mond!” “Zwijg nu toch verdomme, laat me met rust!” “Nee ik heb jullie niet nodig.” “Ga alsjeblieft weg.” “Alsjeblieft, ik smeek het jullie.” “Ik probeer gewoon te slapen, mag dat?” “Nee, niet alles is oké, ik ben moe en probeer te slapen dus zwijg nu alsjeblieft.” 

Na een korte nacht sta ik voor de spiegel en kijk ik naar mezelf, naar Esmée, de echte Esmée. 
Leah: Noa! Noa! Noaaaaa! 
“Nee, nee, nee, Esmée, geen Noa meer. Noa bestaat niet meer. Ga alsjeblieft weg!” Ik zet mijn muziek zo luid ik kan, het kan me niet schelen dat ik de buren misschien wakker maak, ik wil het niet meer horen. Ik wil ze niet meer horen. In de douche begin ik te zingen en laat het water over mijn hele lichaam stromen. Het liefst wil ik hier de rest van mijn leven blijven staan, maar al snel wordt er op de deur geklopt. “Esmée meisje, ben je bijna klaar? Je moet zo vertrekken.” Ik word wakker uit mijn gedachten, gooi de deur van de douche open en grijp naar mijn handdoek en daar sta ik dan, weer terug in de wereld zonder water dat me kan beschermen van alles wat er zich daarin afspeelt. 

Het is bijna herfst en dat vind ik wel fijn, dan is het sneller donker. Ik hou van het donker. Vooral als ik op mijn vensterbank zit terwijl het licht in mijn kamer brandt, maar het buiten pikdonker is. Dan kijk ik naar buiten en zie ik het donkerlicht, de weerspiegeling van het iets in het niets. Ik vind niets fijner, want in dat niets is er dus ook niets goeds en niets slechts. Op dagen als deze zou ik het liefst in het donker op het gras gaan zitten en het liefst terwijl het pijpenstelen giet. 

Als mijn huiswerk af is en ik klaar ben met eten ga ik zonder veel te zeggen naar boven. Ik hoor mama nog vragen hoe het geweest is op school maar ik heb geen zin om te antwoorden. Ik trek mijn pyjama aan, wrijf mijn mascara van mijn gezicht en ontdoe mezelf van mijn juwelen. Nadat ik mijn mollige lichaam veilig onder mijn lakens heb verstopt begin ik te lezen en vertrek ik naar de wereld van Violet en Finch. 

“Zoiets zeg je niet tegen iemand die zo gelukkig is, dat zou jij toch moeten weten. ‘Zo lang je maar voorzichtig doet’ houdt in dat er een einde aan kan komen, misschien over een uur, misschien over drie jaar, maar hoe dan ook een eind. Zou het nou echt zo moeilijk zijn om iets te zeggen als: 'ik ben blij voor je, Theodore. Gefeliciteerd dat je iemand hebt gevonden bij wie je je zo goed voelt'?”


Ik kan alleen maar denken aan hoe herkenbaar ik dit stukje vind terwijl ik het hoofdstuk uit lees en het boek weer weg leg om te gaan slapen. Ik denk nog even na over wat ik net gelezen heb en zet dan mijn muziek af.
Jess: Mag ik binnenkomen?
Het liefst wil ik nu schreeuwen dat ze weg moeten gaan, maar dat is niet wat ik zeg, ik laat ze binnen. 


__________________
©Amber Camus 
(Citaat: Jennifer Niven, Waar het licht is, pagina 128) 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten